Naar aanleiding van de natte sneeuw

“Ik haatte b.v. mijn eigen gezicht, ik vond, dat het weerzinwekkend was, ik liep zelfs met de gedachte rond, dat het de een of andere lage uitdrukking vertoonde en daarom deed ik wanneer ik op kantoor verscheen, iedere keer weer mijn uiterste best om een ongedwongen houding aan te nemen, om dit gezicht een uitdrukking van echte edelmoedigheid te geven, opdat men maar niets gemeens in me zou veronderstellen.”

(uit Dostojewski’s Naar aanleiding van de natte sneeuw. In: Herinneringen uit het ondergrondse.- Utrecht: Veen 1980 (1965), p.76, in een vertaling van S. Van Praag)

“I hated my face, for instance: I thought it disgusting, and even suspected that there was something base in my expression, and so every day when I turned up at the office I tried to behave as independently as possible, and to assume a lofty expression, so that I might not be suspected of being abject.”

(uit de webeditie eBooks@ Adelaide, zie ook hier)

Jingle bells

“Hij luidde nu al zo veel uren dat de Lamberts de boodschap “bel gaat” niet meer hoorden, maar zoals het gaat met alle klanken die zo lang doorgaan dat je tijd genoeg hebt om de samenstellende klanken te gaan onderscheiden (net als met woorden waarnaar je staart tot ze uiteenvallen in een rij dode letters), hoorden ze alleen een klepel die snel tegen een metalen resonator sloeg, geen zuivere toon maar een korrelige opeenvolging van slagen met een weeklagende bovenlaag van boventonen; hij luidde zo veel dagen lang dat het geluid gewoon opging in de achtergrond, behalve op bepaalde uren ’s ochtends vroeg, als ze een van beiden zwetend wakker werden en zich realiseerden dat er al zo lang als ze zich konden herinneren in hun hoofd een bel luidde; al zo veel maanden luidde die dat de klank had plaatsgemaakt voor een soort metaklank waarvan het harder en zachter worden niet het stoten van elastische golven was maar het heel veel langzamere toe- en afnemen van hun bewustheid van het geluid.”

(Jonathan Franzen: De correcties.- Amsterdam: Prometheus 2001, p. 5-6)

 

Voici la nuit

“Hier is de lange nacht wij gaan op
op deze plek er is niks anders
dan deze plek geruïneerde hoop:
met Zijn oponthoud in onze huizen
bereidde Hij de aarde
als een struik waarin het vuur.”

(eigen vertaling van)

“Voici la nuit,
La longue nuit où l’on chemine,
Et rien n’existe hormis ce lieu,
Hormis ce lieu d’espoir en ruine :
En s’arrêtant dans nos maisons,
Dieu préparait comme un buisson,
La terre où tomberait le feu.”

(uit de hymne Voici la nuit van Didier Rimaud, zie ook hier en hier)

Hoe meu’ek da zengen

“ce –
comment dire –
ceci –
ce ceci –
ceci-ci –
tout ce ceci-ci –
folie donné tout ce –
vu –
folie vu tout ce ceci-ci que de –
que de –
comment dire”

(In memoriam Samuel Beckett (+22/12/1989), uit zijn laatste, geschreven Frans (1988) Comment dire, zie ook hier.  Piet Joostens vertaalde in het Opwijks in Yang 2006 nr. 1, zie ook hier)

“tees –
oe noemt dadde –
tees ie –
tees tees ie –
tees ie ie –
al tees getees ie –
dwoas gegeven al tees –
gezien –
dwoas gezien al tees getees ie da te –
da te –
oe noemt dadde”

De vesperzeeman

“It was far down the afternoon; and when all the spearings of the crimson fight were done: and floating in the lovely sunset sea and sky, sun and whale both stilly died together; then, such a sweetness and such plaintiveness, such inwreathing orisons curled up in that rosy air, that it almost seemed as if far over from the deep green convent valleys of the Manilla isles, the Spanish land- breeze, wantonly turned sailor, had gone to sea, freighted with these vesper hymns.”

(Herman Melville: Moby Dick, or, the Whale.- Electronic Text Center, University of Virginia Library, chapter 116, p. 490. Zie ook hier)

“Het was heel laat in de namiddag; en toen al het speerwerk van het bloedige gevecht achter de rug was, en drijvend in de schitterende zonsondergangszee en –lucht, zon en walvis beide stil tesamen stierven, kronkelden er zo’n zoetheid en zo’n klaaglijkheid, zulke omstrengelende gebeden in die rooskleurige lucht omhoog, dat het bijna leek alsof van ver uit de diepe groene kloosterdalen van de Manilla eilanden de Spaanse landwind uit speelsheid zeeman was geworden en zee gekozen had, beladen met deze avondgezangen.”

(Moby Dick. Vertaling Emy Giphart.- Utrecht/Antwerpen: Veen 1961/1989, p. 420)