Gelijk ’t lijfelijk blazen van den wind

“Zonder toeven of verpoozen, ononderbroken, gehaast, vordert het werk in eenbaarlijk herhalen derzelfde beweging, het een door ’t ander in gang gehouden, voortgestuwd, zonder zichtbaar doel of uitkomst, oneindig, streng en onmeedoogend gelijk de wanhopig gispende regen, ’t lijfelijk blazen van den wind, de onafzienbare grauwheid der wolkenvracht die loodzwaar over de wereld weegt.”

Stijn Streuvels: Het leven en de dood in de ast. Ingeleid en toegelicht door G. Verbeek.– Brugge/Utrecht: Desclée De Brouwer 1969, p. 7/8.

 

Advertenties

Die zich kussen

“Werden sie glücklich, werden sie glücklich werden, die zwei, die da im Nachen sind, die zwei, die sich küssen, die zwei, die der Mond bescheint, die zwei, die sich lieben?”

“Worden zij gelukkig, zullen zij gelukkig worden, de twee die daar in het schuitje zitten, de twee die elkaar kussen, de twee die door de maan beschenen worden, de twee die elkaar liefhebben?”

Robert Walser: Der Nachen.- In: Kleine Dichtungen, 1915, zie ook hier.

Struikgewas

“Ich möchte annehmen, auch ein richtiges Atheistenkind muß, bevor es in das Gottlosigkeits-Stadium seiner Eltern eingehen will, durch ein Dickicht durch, in dem Gott mit jedem Ast den Weg verbaut, und unerreichbar ist, sobald man glaubt, man brauche ihn.”

In eigen vertaling:

“Ik zou willen aannemen, ook een echt atheïstenkind moet, vooraleer het in het goddeloosheidsstadium van zijn ouders wil binnengaan, door een struikgewas heen, waarin God met elke tak de weg verspert, en onbereikbaar is, zodra men gelooft dat men hem nodig heeft.”

Martin Walser: Woran Gott stirbt. Über Georg Büchner.- In: Martin Walser: Aus dem Wortschatz unserer Kämpfe. Prosa, Aufsätze, Gedichte.– Frankfurt am Main: Suhrkamp Verlag 2002 p. 188.