Wer in allen Lüften schwebet

“There are no recitatives or da capo arias; yet there is a plenty of variety, from the stirring chorale fantasia that opens the work, with flute, two oboes, three trumpets and drums added to the string band, to the three arias: one ritornello aria for bass with continuo in praise of the Son, a soprano aria with flute and low-lying violin obbligati addressed to the Holy Spirit and, the pick of the bunch, a pastoral dance for alto and oboe d’amore, inspired, perhaps in its imagery, by the concept of ‘den alles lobet, was in allen Lüften schwebet’ (‘praised by all things that move in the air’).”

“Wenngleich in dieser Kantate weder Rezitative noch Da-Capo-Arien vorhanden sind, weist sie eine große Vielfalt auf, angefangen bei der mitreißenden Choralfantasie zu Beginn des Werkes mit Flöte,
 zwei Oboen, drei Trompeten und Pauken zusätzlich zur Streichergruppe bis hin zu den drei Arien: eine Ritornellarie für Bass mit Continuo zum Lobpreis des Sohnes, eine Sopran-Arie mit Flöte und tiefliegenden Violinobligati, die an den Heiligen Geist gerichtet ist, und schließlich, das Beste von allem, ein pastoraler Tanz für Alt und Oboe d’amore, in seiner Bildersprache vielleicht inspiriert von dem, ‚den alles lobet, was in allen Lüften schwebet‘.”

John Eliot Gardiner, From a journal written in the course of the Bach Cantata Pilgrimage, 2008. Geciteerd uit het booklet (nr. 25) bij de Bachcantates van zondag Trinitatis. Gardiner verdedigt hier de vierde en laatste cantate, BWV 129, Gelobet sei der Herr mein Gott, blijkbaar tegen de indruk dat zij nogal eentonig zou zijn. Waarheid is wellicht dat Gardiner bijzonder aan deze cantate gehecht is om diep-persoonlijke redenen. Als hij lijkt te willen opstijgen in superlatieven, doet hij een bekentenis. “Kein Komponist hat 
je”, zo gaat hij verder – en ik citeer hem nu in Duitse vertaling omdat die versie meer Schwung heeft dan de oorspronkelijke Engelse, “mehr aus einer Melodie gemacht, sie ist die wunderbarste überhaupt, die Bach geschrieben hat – und sie hat mich ein Leben lang begleitet, seit ich sie zum ersten Mal als Kind von meiner Mutter singen hörte.”

Zie ook hier.

De verloren zoon reloaded

“Daarbij moet ik u nog zeggen, moeder, dat ieder van ons schuldig is tegenover alle anderen en ik meer dan wie ook.”

(Fjodor Dostojewski: De gebroeders Karamazov.- Amsterdam: Van Oorschot 1972, p. 356)

“Lief moedertje, mijn eigen lief moedertje, iedereen is werkelijk tegenover alle mensen voor alles schuldig, maar niemand beseft het, als ze het echter beseften, dan zou het meteen een paradijs worden!”
(Ib.: p.368)