Duizeling

onzichtbare stad2

                                                           ‘Pontopolis’ van Marcin Kolpanowicz, zie ook hier

“In het leven van keizers is er een moment dat komt na de trots op de eindeloze uitgestrektheid van de gebieden die wij veroverd hebben, na de melancholie en de opluchting over de wetenschap dat we spoedig geen pogingen meer zullen doen ze nog te leren kennen en te begrijpen; een gevoel van leegte dat over ons komt op een avond, tegelijk met de geur van olifanten na de regen en van verkoold sandelhout dat afkoelt in de stookplaatsen; een duizeling die de rivieren en bergen, afgebeeld op de rossige rug der planisferen, doet trillen, die de documenten in elkaar rolt die ons aankondigen hoe de laatste vijandelijke legers zich van de ene nederlaag in de andere storten, die de lak verbreekt van de zegels van koningen van wie wij nog nooit gehoord hebben en die de bescherming afsmeken van onze optrekkende legers, in ruil voor jaarlijkse schattingen in de vorm van kostbare metalen, geprepareerde huiden en schildpadschilden; het is het wanhopige moment waarop wij ontdekken dat dit rijk, dat ons het toppunt van alle wonderen had toegeschenen, een lichaam in ontbinding is zonder einde of vorm; dat de kanker al zo diep is ingeworteld dat wij hem met onze macht geen halt meer kunnen toeroepen; dat de triomf over de vijandelijke vorsten ons tot erfgenamen maakt van hun lange verval.”

uit: Italo Calvino: De onzichtbare steden.- Amsterdam/Antwerpen: L.J. Veen Klassiek 1981 p.10/11

Advertenties

Rood was de broche van zuster Inge

“Hoe dikwijls kwam het niet voor, dat de slaap mij overweldigde, wanneer zij mijn kleine en zoals men dacht, zieke lichaam beluisterde: een heldere uit de plooienval van een witte stof geboren slaap, een door carbol omgeven slaap, slaap zonder droom; of het moest al zijn dat in de verte haar broche uitgroeide tot ik weet niet wat: vlaggenzee, alpengloeien, indianen, kersen, neusbloeden tegen de kammen der hanen, ook tegen rode bloedlichaapjes, tot een rood, dat mijn heel uitzicht vulde, achtergrond bood aan een hartstocht, die mij toen zowel als nu als vanzelfsprekend voorkomt, maar die ik niet benoemen kan, omdat het woordje ‘rood’ niets zegt en neusbloeden het niet opwekt en vlaggestof verkleurt, en als ik desondanks rood zeg, wijst rood mij af en laat zich de mantel keren: zwart, de heks komt zwart en ik schrik mij grijs en het bedriegt mij blauw en beliegt mij groen: groen is de doodkist waarin ik graas, groen bedekt mij, groen ben ik mij wit: dat doopt mij zwart, zwart schrikt mij grijs, grijs bedriegt mij blauw, blauw is mij niet groen, groen bloeit mij rood, rood was de broche van zuster Inge, een rood kruis droeg zij, precies gezegd: op de afwasbare kraag van haar verpleegsters-kostuum; maar zelden, en zo ook in de klerenkast, bleef het bij deze meest monochrome van alle beelden.”

(Günter Grass: De blikken trommel. Vertaald door Koos Schuur.– Amsterdam: Meulenhoff 1964 (zevende druk 1978) p.130)

Die zich kussen

“Werden sie glücklich, werden sie glücklich werden, die zwei, die da im Nachen sind, die zwei, die sich küssen, die zwei, die der Mond bescheint, die zwei, die sich lieben?”

“Worden zij gelukkig, zullen zij gelukkig worden, de twee die daar in het schuitje zitten, de twee die elkaar kussen, de twee die door de maan beschenen worden, de twee die elkaar liefhebben?”

Robert Walser: Der Nachen.- In: Kleine Dichtungen, 1915, zie ook hier.

Wer in allen Lüften schwebet

“There are no recitatives or da capo arias; yet there is a plenty of variety, from the stirring chorale fantasia that opens the work, with flute, two oboes, three trumpets and drums added to the string band, to the three arias: one ritornello aria for bass with continuo in praise of the Son, a soprano aria with flute and low-lying violin obbligati addressed to the Holy Spirit and, the pick of the bunch, a pastoral dance for alto and oboe d’amore, inspired, perhaps in its imagery, by the concept of ‘den alles lobet, was in allen Lüften schwebet’ (‘praised by all things that move in the air’).”

“Wenngleich in dieser Kantate weder Rezitative noch Da-Capo-Arien vorhanden sind, weist sie eine große Vielfalt auf, angefangen bei der mitreißenden Choralfantasie zu Beginn des Werkes mit Flöte,
 zwei Oboen, drei Trompeten und Pauken zusätzlich zur Streichergruppe bis hin zu den drei Arien: eine Ritornellarie für Bass mit Continuo zum Lobpreis des Sohnes, eine Sopran-Arie mit Flöte und tiefliegenden Violinobligati, die an den Heiligen Geist gerichtet ist, und schließlich, das Beste von allem, ein pastoraler Tanz für Alt und Oboe d’amore, in seiner Bildersprache vielleicht inspiriert von dem, ‚den alles lobet, was in allen Lüften schwebet‘.”

John Eliot Gardiner, From a journal written in the course of the Bach Cantata Pilgrimage, 2008. Geciteerd uit het booklet (nr. 25) bij de Bachcantates van zondag Trinitatis. Gardiner verdedigt hier de vierde en laatste cantate, BWV 129, Gelobet sei der Herr mein Gott, blijkbaar tegen de indruk dat zij nogal eentonig zou zijn. Waarheid is wellicht dat Gardiner bijzonder aan deze cantate gehecht is om diep-persoonlijke redenen. Als hij lijkt te willen opstijgen in superlatieven, doet hij een bekentenis. “Kein Komponist hat 
je”, zo gaat hij verder – en ik citeer hem nu in Duitse vertaling omdat die versie meer Schwung heeft dan de oorspronkelijke Engelse, “mehr aus einer Melodie gemacht, sie ist die wunderbarste überhaupt, die Bach geschrieben hat – und sie hat mich ein Leben lang begleitet, seit ich sie zum ersten Mal als Kind von meiner Mutter singen hörte.”

Zie ook hier.

Chinoiserie

“Op die pagina’s uit een grijs verleden staat geschreven dat de dieren zijn te onderscheiden in a) toebehorend aan de Keizer, b) gebalsemd, c) getemd, d) speenvarkens, e) zeemeerminnen, f) fabeldieren, g) zwerfhonden, h) die welke in deze classificatie zijn opgenomen, i) die welke tekeergaan als dwazen, j) ontelbare, k) die welke zijn getekend met een heel fijn kameelharen penseel, l) enzovoorts, m) die welke net een vaas hebben gebroken, n) die welke in de verte op vliegen lijken.”

(Jorge Luis Borges, De analytische taal van John Wilkins, in: De cultus van het boek)