De vesperzeeman

“It was far down the afternoon; and when all the spearings of the crimson fight were done: and floating in the lovely sunset sea and sky, sun and whale both stilly died together; then, such a sweetness and such plaintiveness, such inwreathing orisons curled up in that rosy air, that it almost seemed as if far over from the deep green convent valleys of the Manilla isles, the Spanish land- breeze, wantonly turned sailor, had gone to sea, freighted with these vesper hymns.”

(Herman Melville: Moby Dick, or, the Whale.- Electronic Text Center, University of Virginia Library, chapter 116, p. 490. Zie ook hier)

“Het was heel laat in de namiddag; en toen al het speerwerk van het bloedige gevecht achter de rug was, en drijvend in de schitterende zonsondergangszee en –lucht, zon en walvis beide stil tesamen stierven, kronkelden er zo’n zoetheid en zo’n klaaglijkheid, zulke omstrengelende gebeden in die rooskleurige lucht omhoog, dat het bijna leek alsof van ver uit de diepe groene kloosterdalen van de Manilla eilanden de Spaanse landwind uit speelsheid zeeman was geworden en zee gekozen had, beladen met deze avondgezangen.”

(Moby Dick. Vertaling Emy Giphart.- Utrecht/Antwerpen: Veen 1961/1989, p. 420)

Goddank Enid!

“Hij begon een zin: ‘Ik ben -‘ maar als hem plotseling iets gevraagd werd, werd iedere zin een avontuur in het bos; zodra hij het licht van de open plek waar hij erin gegaan was niet meer kon zien, besefte hij dat de kruimels die hij had gestrooid om de weg terug te kunnen vinden, opgegeten waren door de vogels, stille, behendige, wegschietende wezens die hij niet goed kon zien in het donker maar die in hun honger zo talrijk zwermden dat het leek alsof zij het donker waren, alsof het donker niet eenvormig was, geen afwezigheid van licht, maar een wemelend, corpusculair ding, en toen hij als ijverige scholier het Franse woord ‘crépusculaire’ was tegengekomen, had hij corpuscula van de biologie met het woord geassocieerd, zodat hij zijn hele volwassn leven in de schemering iets corpusculairs had gezien, zoiets als de korreligheid van de gevoelige film die nodig is om te fotograferen onder omstandigheden van weinig omgevingslicht, zoiets als een soort sinister bederf; en vandaar de paniek van een man die verraden wordt diep in de bossen waar het donker het donker was van spreeuwen die de zonsondergang verduisteren of zwarte mieren die een dode opossum bestormen, een donker dat niet gewoon maar bestond maar actief de positiebepaling opat die hij zo verstandig voor zichzelf had aangebracht, om niet te verdwalen; maar op het moment dat hij besefte dat hij verdwaald was, werd de tijd wonderlijk traag en ontdekte hij tot dan toe onvermoede eeuwigheden in die ruimte tussen het ene woord en het volgende, of liever gezegd, raakte hij verstrikt in die ruimte tussen woorden en kon alleen toekijken hoe de tijd zich verder spoedde zonder hem, en de zorgeloze, jongensachtige kant van hem onzichtbaar blindelings voortstormde door de bossen, terwijl hij, verstrikt, de volwassen Al, in merkwaardig onpersoonlijke spanning toekeek of de in paniek geraakte kleine jongen misschien, ook al wist hij niet meer waar hij was en op welk punt hij de bossen van deze zin was ingegaan, toch stom toevallig de open plek zou weten te bereiken waar Enid op hem wachtte, zich niet bewust van bossen – ‘mijn koffer aan het pakken,’ hoorde hij zichzelf zeggen.”

Jonathan Franzen: De correcties.- Amsterdam: Prometheus 2001, p. 12-13. Een zin die er plots opduikt als een walvis in het makreel van de andere zinnen, ik weet niet goed waarom, moest ik verdervaren ik zou mijn netten zeker langs die kant uitwerpen, benieuwd wat Franzen daarvan bakt, benieuwd ook hoe dit in het Engels werd geschreven.

Eerder al was er nog zo’n vreemde kanjer, die ga ik morgen bovenhalen.

Falend waterbeleid

“(…) and if ever the world is to be again flooded, like the Netherlands, to kill off its rats, then the eternal whale will still survive, and rearing upon the topmost crest of the equatorial flood, spout his frothed defiance to the skies.”

(Herman Melville: Moby Dick, or, the Whale.- Voor het eerst uitgegeven in 1851, chapter 105. Zie ook hier)

“(…) en zo ooit de wereld opnieuw overstroomd zou worden om, zoals de Nederlanden, zijn ratten af te maken, dan zal de eeuwige walvis toch blijven leven, en zich verheffend op de hoogste schuimtop van de equatoriale zondvloed zijn schuimende uitdaging ten hemel spuiten.”

(Moby Dick. Vertaling Emy Giphart.- Utrecht/Antwerpen: Veen 1961/1989, p. 393)