Naar aanleiding van de natte sneeuw

“Ik haatte b.v. mijn eigen gezicht, ik vond, dat het weerzinwekkend was, ik liep zelfs met de gedachte rond, dat het de een of andere lage uitdrukking vertoonde en daarom deed ik wanneer ik op kantoor verscheen, iedere keer weer mijn uiterste best om een ongedwongen houding aan te nemen, om dit gezicht een uitdrukking van echte edelmoedigheid te geven, opdat men maar niets gemeens in me zou veronderstellen.”

(uit Dostojewski’s Naar aanleiding van de natte sneeuw. In: Herinneringen uit het ondergrondse.- Utrecht: Veen 1980 (1965), p.76, in een vertaling van S. Van Praag)

“I hated my face, for instance: I thought it disgusting, and even suspected that there was something base in my expression, and so every day when I turned up at the office I tried to behave as independently as possible, and to assume a lofty expression, so that I might not be suspected of being abject.”

(uit de webeditie eBooks@ Adelaide, zie ook hier)