Het gelaat

“En ik sloeg, met mijn vuisten ditmaal, sloeg op elk moment van de dag of de nacht dat het gelaat me niet met rust liet, zodat mijn vuisten rood werden en de kneukels rood, eerst het bloed eronder, en dan open en rood en dan het bloed eruit en op mijn handen, en dan de pijn en de palm van mijn hand spierwit, wanneer ik de vingers stijf opentrok en er naar keek en merkte: de sporen der nagels in de handpalm die er uitzagen als zovele minuscule hielindrukken op een uitgestreken beddelaken in miniatuur.”

(C.C. Krijgelmans: Homunculi.- Amsterdam/Antwerpen: De Bezige Bij/Uitgeverij Contact 1967, p. 25)

Advertenties