Broekmans

“Er was eens lang geleden in die goeie beste ouwe tijd een kakoetjeboe dat de weg af kwam en dat kakoetjeboe dat de weg af kwam, kwam een fijnfijn knulletje tegen dat baby broekmans heette…”

Eerste zin uit James Joyces “Zelfportret van de kunstenaar als jonge man”, vertaald door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes, en pas uitgegeven bij Athenaeum-Polak & Van Gennep, zie ook hier.

In 1972 deden Geraldine Franken en Leo Knuth het als volgt (bij De Bezige Bij):

“Eens in langvervlogen tijden en hoe goed waren die tijden niet kwam er een moekoe door de straat en deze moekoe die zo maar eens door de straat kwam ontmoette een lief ietepieterige ventje dat baby toekoe heette…”

Het origineel van 1916 gaat als volgt:

“Once upon a time and a very good time it was there was a moocow coming down along the road and this moocow that was coming down along the road met a nicens little boy named baby tuckoo…”

Ik ben op zoek naar de versie van Max Schuhart in “Het portret van de jonge kunstenaar” (Rotterdam: Ad. Donker 1962) waarmee Joyce mij in langvervlogen tijden tegemoetkwam, en compleet van mijn sokken blies.

Vlaanderen met de vaandel

“Aan zijn gordel hing een rij strandkeien, die bij elke beweging van zijn vervaarlijk lijf rammelden en waarin met primitief doch treffend vakmanschap de clantekens waren gegrift van vele Vlaamse helden en heldinnen uit de oudheid: Jan Breydel, Pieter De Coninck, Joe English,  Willem die Amok maakte, de gebroeders Van Raemdonck, pastoor Veltmans, Hendrik van Veldeke, E.H. dokter P. Van der Meulen,  Priester Poppe en Daens, Damiaan, Van Artevelde, Charles De Gaulle Van de Walle, baron Charles Joseph Marie Ghislain d’Udekem d’Acoz, de vos Reynaert, Tijl Uilenspiegel,  Adam en Eva, Ludwig van Beethoven, Willem Baudaert die zich ook Baudartius noemde, der Flämung, de moeder van de Makkabeeën, Christoffel Plantijn en Jan Moretus, de man die zijn volk leerde lezen, de man die zijn haar kort liet knippen, Paul Van Ostayen, Maurice Gilliams, Sint Eligius, Jan van Ruusbroec, Sint Jan Berchmans,…”
(eigen vervlaamsing (in progress, vertrekkend van de vertaling van Paul Claes en Mon Nys (De Bezige Bij 1994, p. 315)) van)
“From his girdle hung a row of seastones which dangled at every movement of his portentous frame and on these were graven with rude yet striking art the tribal images of many Irish heroes and heroines of antiquity, Cuchulin, Conn of hundred battles, Niall of nine hostages, Brian of Kincora, the Ardri Malachi, Art MacMurragh, Shane O’Neill, Father John Murphy, Owen Roe, Patrick Sarsfield, Red Hugh O’Donnell, Red Jim MacDermott, Soggarth Eoghan O’Growney, Michael Dwyer, Francy Higgins, Henry Joy M’Cracken, Goliath, Horace Wheatley, Thomas Conneff, Peg Woffington, the Village Blacksmith, Captain Moonlight, Captain Boycott, Dante Alighieri, Christopher Columbus, S. Fursa, S. Brendan, Marshal Mac-Mahon, Charlemagne, Theobald Wolfe Tone, the Mother of the Maccabees, the Last of the Mohicans, the Rose of Castille, the Man for Galway, The Man that Broke the Bank at Monte Carlo, The Man in the Gap, The Woman Who Didn’t, Benjamin Franklin, Napoleon Bonaparte, John L. Sullivan, Cleopatra, Savourneen Deelish, Julius Caesar, Paracelsus, sir Thomas Lipton, William Tell, Michelangelo, Hayes, Muhammad, the Bride of Lammermoor, Peter the Hermit, Peter the Packer, Dark Rosaleen, Patrick W. Shakespeare, Brian Confucius, Murtagh Gutenberg, Patricio Velasquez, Captain Nemo, Tristan and Isolde, the first Prince of Wales, Thomas Cook and Son, the Bold Soldier Boy, Arrah na Pogue, Dick Turpin, Ludwig Beethoven, the Colleen Bawn, Waddler Healy, Angus the Culdee, Dolly Mount, Sidney Parade, Ben Howth, Valentine Greatrakes, Adam and Eve, Arthur Wellesley, Boss Croker, Herodotus, Jack the Giantkiller, Gautama Buddha, Lady Godiva, The Lily of Killarney, Balor of the Evil Eye, the Queen of Sheba, Acky Nagle, Joe Nagle, Alessandro Volta, Jeremiah O’Donovan Rossa, Don Philip O’Sullivan Beare.”

(James Joyce, Ulysses, het cyclopen hoofdstuk, of episode 12)

Feest van epifanieën

“Gazing up into the darkness I saw myself as a creature driven and derided by vanity; and my eyes burned with anguish and anger.”

(James Joyce: Araby.- In: Dubliners.- London/Toronto/Sydney/New York: Granada 1977, p.31)

“His soul swooned slowly as he heard the snow falling faintly through the universe and faintly falling, like the descent of their last end, upon all the living and the dead.”
(James Joyce: The Dead.- In: Ib. p.201)

 Zie ook.