Als sneeuw

Het rusten en het wachten
zijn zijn bovenmate zachte
eigenheid eigen,
hij leeft in het zich neerwaarts neigen.

(eigen vertaling van)

Das Ruhen und das Warten
sind seiner üb’raus zarten
Eigenheit eigen,
er lebt im Sichhinunterneigen.

Derde strofe uit “Der Schnee” van Robert Walser. Zie ook hier.

Die zich kussen

“Werden sie glücklich, werden sie glücklich werden, die zwei, die da im Nachen sind, die zwei, die sich küssen, die zwei, die der Mond bescheint, die zwei, die sich lieben?”

“Worden zij gelukkig, zullen zij gelukkig worden, de twee die daar in het schuitje zitten, de twee die elkaar kussen, de twee die door de maan beschenen worden, de twee die elkaar liefhebben?”

Robert Walser: Der Nachen.- In: Kleine Dichtungen, 1915, zie ook hier.

Struikgewas

“Ich möchte annehmen, auch ein richtiges Atheistenkind muß, bevor es in das Gottlosigkeits-Stadium seiner Eltern eingehen will, durch ein Dickicht durch, in dem Gott mit jedem Ast den Weg verbaut, und unerreichbar ist, sobald man glaubt, man brauche ihn.”

In eigen vertaling:

“Ik zou willen aannemen, ook een echt atheïstenkind moet, vooraleer het in het goddeloosheidsstadium van zijn ouders wil binnengaan, door een struikgewas heen, waarin God met elke tak de weg verspert, en onbereikbaar is, zodra men gelooft dat men hem nodig heeft.”

Martin Walser: Woran Gott stirbt. Über Georg Büchner.- In: Martin Walser: Aus dem Wortschatz unserer Kämpfe. Prosa, Aufsätze, Gedichte.– Frankfurt am Main: Suhrkamp Verlag 2002 p. 188.

Schwendimann

“Hij liep zo maar wat, mat en zwaar uitgevallen, met wankelende onzekere schreden, en de schoolkinderen liepen hem moedwillig achterna en plaagden en vraagden hem: “Wat zoekt ge dan, Schwendimann?” “

(eigen vertaling van)

“Er ging so dahin, matt und schwerfällig, mit wankenden unsicheren Schritten, und die Schulkinder liefen ihm mutwillig nach und neckten und fragten ihn: “Was suchst du, Schwendimann?” “

(Robert Walser: Schwendimann.- In: Prosastücke (1916), zie ook hier)

Sneeuwmansgraf

“Door het vlijtige sneeuwen werd het gezicht, de hand, het arme lichaam met de bloedige wonde, de edele standvastigheid, het mannelijke besluit, de moedige dappere ziel toegedekt.”

(eigen vertaling van)

“Von fleissigem Schneien wurde das Gesicht, die Hand, der arme Leib mit der blutigen Wunde, die edle Standhaftigkeit, der männliche Entschluss, die brave tapfere Seele zugedeckt.”

(uit Robert Walsers “kort prozastukje” Schneien (1917; “Tiefer Winter” 2007), zie ook hier)

Erklecklich

“Het sneeuwt, sneeuwt, zoveel als er maar vanuit de hemel neer kan vallen, en dat kan aanzienlijk zijn.”

(vertaling Machteld Bokhove van)

“Es schneit, schneit, was vom Himmel herunter mag, und es mag Erkleckliches herunter.”

(eerste zin van Robert Walsers “kort prozastukje” Schneien (1917; “Tiefer Winter” 2007), zie ook hier)