In de speling van het moment

“Reflecteren en kijken zijn een speling in het opgesloten zijn, een kier.”
In memoriam Jacq Vogelaar (+9.XII.2013)
Uit: Over kampliteratuur.– Amsterdam: De Bezige Bij 2006, p. 162)
Advertenties

Roskam Rundskop

“(…) iets dat niet zo week is en dampt maar eerder iets hard en ijzigs, iets nagebouwds, een geordend ordenend (wereld)beeld, en hier hebben we Bonset, de monteur die alles weet van zinskonstruksies en die we (tijdelik) van de Stijl hebben geleend, die vast en zeker – kom er in, Egon, laten we een zin maken met onze voeten die even goed is als een schoen – een uitweg zal vinden om onze zin te laten ontsnappen, door de beproefde zintuigen te gebruiken die eertijds in het Europa van Mecano ontwikkeld zijn – ‘syfilis is niet het doel van het kopuleren’, dat zeg je wel, maar alle heren van weleer staan toch maar afgebeeld in mediese encyklopedieën waar je alle ziekten van het avondland, alle kulturele uitwassen, aandoeningen, verborgen gebreken, kysten, puisten, vergroeiingen, breuken, chronologies behandeld vindt, en bestaat vleselike kennis immers niet uit de kopulatie tussen twee woorden? – en Bonset vliegt door het (open of gesloten) raam van dit glazen huis dat we woord voor woord met blote handen hebben gebouwd op straat – vind je nog steeds dat de stad een gedicht is? – waar hij, als een hollandse tomaat die van de Eiffeltoren is gegooid te grabbel ligt, een objet trouvé, zo gaat hij de geschiedenis in met achterlating van onze zin (die we te zijner tijd nog wel eens zullen schedellichten: zo opent zich de vrucht en onder de voorzichtig gespleten schaal komt een weke, grijze massa tevoorschijn, ingewikkeld in kleverige en dooraderde vellen, een triest en breekbaar vruchtvlees waarin het voorwerp van kennis, eindelik bevrijd en aan het licht gebracht, kan uitstralen wat ze wil), na een dergelike autopsie niet meer dan een hoop die zij (misschien de geschiedenis zelf wel of anders een van haar vele slachtoffers) met een goedkeurende blik monstert en doortrekt…”

Eén van J.F. Vogelaars “vleeszinnen”, of toch een stuk daarvan, in: Raster 16, 1980.- Amsterdam: De Bezige Bij 1981, p.135/6. – wellicht een citaat uit zijn Raadsels van het rund van 1978, en anders uit Alle vlees van 1980, denkend aan I.K. Bonset ofte I.K. Bensot, denkend aan Bacon.

In asse geborgen

En [-] wie zal het vinden [-] gij zult nog meer vinden [-] de binnenplaats, achter het crematorium, niet in de richting van de straat [-] de andere kant uit, daar zult gij veel vinden [-] want we moeten de wereld, zoals tot dusver, op deze manier, in de vorm van een historische kroniek, dit alles laten zien zoals het zich ontwikkeld heeft.”

En de volgende zin luidt:

“Vanaf nu zullen wij alles onder de grond verbergen.”

Zalmen Lewenthal in een schriftje dat op 17 oktober 1962 gevonden werd, opgerold in een weckfles, door vocht slechts ten dele leesbaar, vlakbij Krematorium  III in Birkenau. Lewenthal schreef in het Jiddisj, Vogelaar vertaalde uit Franse en Duitse vertalingen. Bron: Jacq Vogelaar: Over kampliteratuur.-  Amsterdam:  De Bezige Bij 2006, p. 525. Zie ook hier.