Letterbrug

“Urenlang moest vaak aan een korte reeks woorden worden gewerkt, totdat het ritme tot in de laatste cadans klopte, de zwaartekracht overwonnen was en de auteur, zelf nu in zekere zin van zijn lichaam ontdaan, via de precaire constructie van zijn letterbrug de andere oever kon bereiken.”

(uit Sebald’s Campo Santo, hier geciteerd)

Advertenties

Duizeling

onzichtbare stad2

                                                           ‘Pontopolis’ van Marcin Kolpanowicz, zie ook hier

“In het leven van keizers is er een moment dat komt na de trots op de eindeloze uitgestrektheid van de gebieden die wij veroverd hebben, na de melancholie en de opluchting over de wetenschap dat we spoedig geen pogingen meer zullen doen ze nog te leren kennen en te begrijpen; een gevoel van leegte dat over ons komt op een avond, tegelijk met de geur van olifanten na de regen en van verkoold sandelhout dat afkoelt in de stookplaatsen; een duizeling die de rivieren en bergen, afgebeeld op de rossige rug der planisferen, doet trillen, die de documenten in elkaar rolt die ons aankondigen hoe de laatste vijandelijke legers zich van de ene nederlaag in de andere storten, die de lak verbreekt van de zegels van koningen van wie wij nog nooit gehoord hebben en die de bescherming afsmeken van onze optrekkende legers, in ruil voor jaarlijkse schattingen in de vorm van kostbare metalen, geprepareerde huiden en schildpadschilden; het is het wanhopige moment waarop wij ontdekken dat dit rijk, dat ons het toppunt van alle wonderen had toegeschenen, een lichaam in ontbinding is zonder einde of vorm; dat de kanker al zo diep is ingeworteld dat wij hem met onze macht geen halt meer kunnen toeroepen; dat de triomf over de vijandelijke vorsten ons tot erfgenamen maakt van hun lange verval.”

uit: Italo Calvino: De onzichtbare steden.- Amsterdam/Antwerpen: L.J. Veen Klassiek 1981 p.10/11

Zwaartekracht

“De  reusachtige keien die juichend van de bergen rollen en vervolgens onbeholpen in de rivier blijven liggen, het vliegtuig dat met bemanning en al brandend omlaag stort, de bommen die dalend hun doel zoeken, die door een kogel getroffen soldaat die ter aarde zijgt, de granaat die even, door de kracht van de worp, een boog beschrijft om daar waar de vijand staat neer te komen, ja, zelfs de uitwerpselen der mensen en dieren, die zich, zo snel als maar mogelijk is, een weg naar beneden banen, al het vallende en dalende: dat is de zwaartekracht, mijn kind, dat is de zwaartekracht.”

Uit: Armando: Ter plekke. De ultrakorte verhalen tot nu toe.- Amsterdam: Atlas Contact 2014, p.102.

Woekerzin

“Or a long sentence moving at a certain pace down the page aiming for the bottom-if not the bottom of this page then some other page-where it can rest, or stop for a moment to think out the questions raised by its own (temporary) existence, which ends when the page is turned, or the sentence falls out of the mind that holds it (temporarily) in some kind of embrace, not necessarily an ardent one, but more perhaps the kind of embrace enjoyed (or endured), by a wife who has just waked up and is on her way to the bathroom in the morning to wash her hair, and is bumped into by her husband, who has been lounging at the breakfast table reading the newspaper, and doesn’t see her coming out of the bedroom, but, when he bumps into her, or is bumped into by her, raises his hands to embrace her lightly, transiently, because he knows that if he gives her a real embrace so early in the morning, before she has properly shaken the dreams out of her head, and got her duds on, she won’t respond, and may even become slightly angry, and say something wounding, and so the husband invests in this embrace not so much physical or emotional pressure as he might, because he doesn’t want to waste anything-with this sort of feeling, then, the sentence passes through the mind more or less, and there is another way of describing the situation too, which is to say that the sentence crawls through the mind like (…).”

Lees verder hier, in Donald Barthelme’s “Sentence”.

Rood was de broche van zuster Inge

“Hoe dikwijls kwam het niet voor, dat de slaap mij overweldigde, wanneer zij mijn kleine en zoals men dacht, zieke lichaam beluisterde: een heldere uit de plooienval van een witte stof geboren slaap, een door carbol omgeven slaap, slaap zonder droom; of het moest al zijn dat in de verte haar broche uitgroeide tot ik weet niet wat: vlaggenzee, alpengloeien, indianen, kersen, neusbloeden tegen de kammen der hanen, ook tegen rode bloedlichaapjes, tot een rood, dat mijn heel uitzicht vulde, achtergrond bood aan een hartstocht, die mij toen zowel als nu als vanzelfsprekend voorkomt, maar die ik niet benoemen kan, omdat het woordje ‘rood’ niets zegt en neusbloeden het niet opwekt en vlaggestof verkleurt, en als ik desondanks rood zeg, wijst rood mij af en laat zich de mantel keren: zwart, de heks komt zwart en ik schrik mij grijs en het bedriegt mij blauw en beliegt mij groen: groen is de doodkist waarin ik graas, groen bedekt mij, groen ben ik mij wit: dat doopt mij zwart, zwart schrikt mij grijs, grijs bedriegt mij blauw, blauw is mij niet groen, groen bloeit mij rood, rood was de broche van zuster Inge, een rood kruis droeg zij, precies gezegd: op de afwasbare kraag van haar verpleegsters-kostuum; maar zelden, en zo ook in de klerenkast, bleef het bij deze meest monochrome van alle beelden.”

(Günter Grass: De blikken trommel. Vertaald door Koos Schuur.– Amsterdam: Meulenhoff 1964 (zevende druk 1978) p.130)