De schrijvelaar van Muurstraat

“Maar vooraleer de lezer te verlaten, laat mij zeggen, dat indien deze kleine vertelling hem voldoende geïnteresseerd heeft om nieuwsgierigheid op te wekken naar wie Bartleby was, en welke levenswijze hij leidde voorafgaande aan die waarmee de huidige verteller kennismaakte, kan ik enkel antwoorden dat ik in dergelijke nieuwsgierigheid volledig deel, maar geheel onmachtig ben om haar te voldoen.”

“But ere parting with the reader, let me say, that if this little narrative has sufficiently interested him, to waken curiosity as to who Bartleby was, and what manner of life he led prior to the present narrator’s making his acquaintance, I can only reply, that in such curiosity I fully share, but am wholly unable to gratify it.”

(Herman Melville: Bartleby, the scrivener: a story of Wall-street.– Gepubliceerd 1853, zie hier, alinea 250)

Telefonie

I.

“Ik sta bij het raam met de hoorn tegen mijn oor gedrukt, en ik kijk naar de lichtjes van de stad en naar de verlichte huizen dichterbij.”

(Raymond Carver: Dozen.- In: Raymond Carver: Zoveel water zo dicht bij huis. Verhalen. Vertaald door Sjaak Commandeur.- Amsterdam: De Arbeiderspers 1989, p.92)

 

II.

“(…), als bij nacht, terwijl nochtans op een glimmende gevel, tussen de seringenboom en de kerselaar, neen, geen daglicht, maar metaalglans lag – en ik ondertussen aan tafel zat met het meegebrachte tuut-tuut-tuut, verbonden met een bezette lijn, steunend op een elleboog, de hoorn gedrukt tegen mijn rechteroor, louter (…)”

(René Gysen: Vruchten zoeken in het dorp.- In: René Gysen: Op weg naar de literaire receptie.- ‘s Gravenhage/Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar 1969, p. 5)

 

Met de vogels mee

„Met de vogels mee om vermoeidheidsredenen
reed ik de berg af, zij volgden mij,
enkelen rolden een groot rond ei
tussen zich in, sommigen deden

driftige ave’s met hun vleugels;

gaandeweg werd de weg steenachtiger,
een reiger hijgde als een tachtiger,
allerlei onbewoonde geheugens

lagen verspreid in de groene kommen,
huppelend liepen de kleinsten naast mij,
veerkrachtig de arenden, zonder haast
de pienteren en kwaadsprekend de dommen.“

“Ik schrijf
tegenspraak in de lucht,
laat mijn oog wandelen
over het water, 

draag op mijn oren de
last van de herrie, het
dood gewicht van de haat,
ik draaf door op mijn nachtmerrie

en ik kaats
woorden over
het net tussen twee
betekenissen.” 

  

In memoriam Guillaume van der Graft (eig. Willem Barnard) die afgelopen zondag 21 november overleed op 90-jarige leeftijd. Zie ook hier.

Een misttwist, of wat dacht je?

“He sits in the front row, large, a large man with large hands and large ears, dry lips, fresh-cut hair, pink skin, clear eyes that don’t blink, a nice man, calm, that’s the impression he gives, a quiet man who knows how to listen; he is listening now as she sways on the stage in a short black dress and reads one poem about the time she slit her wrists and another poem about a man she still sees and a third poem about a cruel thing he himself said to her six years ago that she never forgot and never understood, and he knows that when she is finished everyone will clap and a few, mostly women, will come up and kiss her, and she will drink far too much wine, far too quickly, and all the way home she will ask, “What did you think, what did you really think?” and he will say, “I think it went very well” — which is, in fact, what he does think — but later that night, when she is asleep, he will lie in their bed and stare at the moon through a spot on the glass that she missed.”

(Molly Giles: The Poet’s Husband.- In:  Micro Fiction: An Anthology of Really Short Stories. Edited and introduced by Jerome Stern.- New York: W. W. Norton 1996. Zie ook micro fiction world voor een inleiding in de wereld van “flashfiction”, “short short stories”, …)

Falend waterbeleid

“(…) and if ever the world is to be again flooded, like the Netherlands, to kill off its rats, then the eternal whale will still survive, and rearing upon the topmost crest of the equatorial flood, spout his frothed defiance to the skies.”

(Herman Melville: Moby Dick, or, the Whale.- Voor het eerst uitgegeven in 1851, chapter 105. Zie ook hier)

“(…) en zo ooit de wereld opnieuw overstroomd zou worden om, zoals de Nederlanden, zijn ratten af te maken, dan zal de eeuwige walvis toch blijven leven, en zich verheffend op de hoogste schuimtop van de equatoriale zondvloed zijn schuimende uitdaging ten hemel spuiten.”

(Moby Dick. Vertaling Emy Giphart.- Utrecht/Antwerpen: Veen 1961/1989, p. 393)