Sententiöser Philosoph

“De treurige wetenschap waaruit ik mijn vriend iets aanbied, betrekt zich op een gebied dat voor onafzienbare tijden als het eigenlijke van de filosofie gold, maar dat sinds haar metamorfose tot methode werd overgelaten aan intellectuele onachtzaamheid, puntige willekeur en uiteindelijk de vergetelheid: de leer van het goede leven.”

 (eigen vertaling van)

“Die traurige Wissenschaft, aus der ich meinem Freunde einiges darbiete, bezieht sich auf einen Bereich, der für undenkliche Zeiten als der eigentliche der Philosophie galt, seit deren Verwandlung in Methode aber der intellektuellen Nichtachtung, der sententiösen Willkür und am Ende der Vergessenheit verfiel: die Lehre vom richtigen Leben.”

(Theodor W. Adorno: Minima Moralia. Reflexionen aus dem beschädigten Leben.- Berlin und Frankfurt am Main: Suhrkamp 1951, de openingszin)

“The melancholy science from which I make this offering to my friend relates to a region that from time immemorial was regarded as the true field of philosophy, but which, since the latter’s conversion into method, has lapsed into intellectual neglect, sententious whimsy and finally oblivion: the teaching of the good life.”

(zie ook hier)

Advertenties

Komt, opent toch die lippen

“Alleen in uw woestijn,
in uw Gobigrauwe –
ge vereenzaamt, geen busten,
geen tweespraak, geen vrouwen,

 

en al zo dicht de klippen,
ge kent uw zwakke boot –
kom, open toch de lippen,
wie spreekt, die is niet dood.”

(eigen vertaling van)

“Allein in deiner Wüste,
in deinem Gobigraun –
du einsamst, keine Büste,
kein Zwiespruch, keine Fraun,
 

und schon so nah den Klippen,
du kennst dein schwaches Boot –
kommt, öffnet doch die Lippen,
wer redet, ist nicht tot.”

(uit ‘Kommt’ van Gottfried Benn, ook hier)

Ik had geen zin

“Lang aarzelde ik wat ik zou doen, slapen of niet slapen… ik had geen zin om te slapen, ik had geen zin om op te staan, dus brak ik mij het hoofd, opstaan, slapen, blijven liggen, tenslotte schoof ik een been naar buiten en ging op het bed zitten, en terwijl ik ging zitten zag ik vaag de bleke vlek van het raam, ik liep er op blote voeten naar toe en lichtte het rolgordijn op: daar, voorbij de tuin, achter het hek, achter de weg, daar was de plaats waar de opgehangen mus hing temidden van verwarde takken, boven een zwarte aarde die bedekt was met karton, wat plaatijzer, een houtblok, daar waar de toppen van de sparren baadden in de besterde nacht.”
Witold Gombrowicz: Kosmos. Vertaald door Paul Beers.- Amsterdam/Baarn: Athenaeum – Polak & Van Gennep/Ambo 1987, p.12-13.

Mefrietstofeles

“Ich bin der Geist, der stets verneint!
Und das mit Recht: denn alles, was entsteht,
Ist wert, dass es zugrunde geht;
Drum bessers wärs, dass nichts entstünde.”

(Johann Wolfgang Goethe: Faust. Eine Tragödie. Erster und zweiter Teil.- München: Deutscher Taschenbuch Verlag 1977, p.43)

Immanente gerechtigheid

“Als de ruiters van de Apocalyps op pad gaan, kan men beter ramen en deuren vergrendelen en wachten tot de gramschap voorbij is.”

(Gerard Reve, Zelf Schrijver Worden.- In: Verzameld Werk. Deel 4.- Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Veen 1999, p. 408. Mocht er iemand in context geïnteresseerd zijn, aangenomen dat men kan lezen en het hart op de rechte plaats draagt, zie hier.)